Women’s Peace Movement

Vredesgang der Nederlandse Vrouwen, Amsterdam - 18 mei 1936
Time period: 1914-1940
Number of interviews: 8
Accessibility: Unknown
Transcripts: Unknown

Interviewers: Marijke Mossink, Annette Mevis



THERE WERE ONCE two women’s peace unions, the Algemeene Nederlandsche Vrouwen Vredebond and the Internationale Vrouwenbond voor Vrede en Vrijheid. Both had been founded at the beginning of World War I with an appeal to something like women’s special responsibility for a better world.
The ANW was of the so-called apolitical ‘improve the world start with yourself’ type. Its members went on home visits like salvation soldiers to propagate peace from person to person.
The IVW, the Dutch branch of the Women’s International League for Peace and Freedom, was self-confident, professional and politically dyed-in-the-wool in the feminist suffrage struggle. Like self-appointed mediators, its leaders, including Aletta Jacobs, went round heads of state and prime ministers to organise peace.


Political scientist Marijke Mossink explains what moved both unions in her dissertation De levenbrengsters – Over vrouwen, vrede, feminisme en politiek in Nederland 1914-1940. On 10 May 1940, they had come within a hair’s breadth of merging, after years of disputes over the forms of action and organisation of their female mission.



De levenbrengsters
over vrouwen, vrede, feminisme en politiek in Nederland 1914-1940

Marijke Mossink

Stichting beheer IISG, 1995 – 252 pages



Proefschrift van de Universiteit van Amsterdam, Faculteit Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen. Door middel van een vergelijkend onderzoek naar de Algemeene Nederlandsche Vrouwen Vredebond en de Internationale Vrouwenbond voor Vrede en Vrijheid is nagegaan hoe het mogelijk was dat deze twee vrouwenvredesorganisaties naast elkaar bestonden, en waarom het zo moeilijk was om tot een fusie te komen. Centraal staat de betekenis die in beide organisaties aan de begrippen ‘vrouwen’, ‘vrede’ en ‘organisatie’ werd toegekend.