menu
Geef een of meerdere zoektermen op.
Gebruik dubbele aanhalingstekens om in de exacte woordvolgorde te zoeken.

Toen gewoon, achteraf bijzonder

Mevrouw Van der Hoop tachtig jaar, 3 november 1959. Zij zit in het midden, omringd door familie, pachters en personeel

Toen gewoon, achteraf bijzonder

Henny van Harten-Boers

Uitgever: Stichting landgoed Fraeylemaborg, Slochteren

ISBN: 9789080484603

De oral history van het landgoed Fraeylemaborg in Slochteren. De Fraeylemaborg is nog tot 1972 particulier bewoond, daarna werd het een museum. Daardoor waren er lange tijd nog mensen die uit eigen beleving konden vertellen over het leven op dit historische landgoed. Henny van Harten sprak met leden van de familie, kamermeisjes, pachters en omwonenden. De herinneringen van deze mensen zijn levendig en gedetailleerd en beslaan de periode van 1920 tot 1970.

 

De titel van het boek is ontleend aan een uitspraak van Louise Thomassen à Thuessink van der Hoop van Slochteren (1915-2008): ,,We vonden het altijd heel gewoon, maar achteraf besef je: nou, dat was toch wel bijzonder!”

Indonesische portretten

Oudere Indonesiërs en Chinees-Indonesiërs in Yogyakarta
 
Het kunstproject Indonesische Portretten van Martin van den Oever, Petra Timmer en Jos Janssen is tot stand gekomen in het kader van het onderzoeksprogramma Van Indië tot Indonesië van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Het bestaat uit twee delen. Dit deel bestaat uit interviews met oudere Indonesiërs in Yogyakarta, die Nederlands hebben geleerd tijdens de koloniale tijd.

De interviews gaan in op gebeurtenissen en ervaringen in de jaren 1920 – 2006.
Er wordt voornamelijk over Nederland en Indonesië gesproken. Thema’s zijn o.a. Tweede Wereldoorlog, Japanse bezetting, angst, band met de Nederlandse taal en Nederland, jeugd, Indonesische revolutie, scholing, Japanse taal.

De collectie is beperkt openbaar. Bij interesse kan contact opgenomen worden met Jos Janssen.
De collectie staat op DV-tapes. Om de interviews duurzaam te bewaren voor de toekomst is digitalisering en overdracht aan een e-depot gewenst.

 

De vrouwelijke held

Wendy Janssen . De vrouwelijke held. In Wim Willems & Jaap de Moor (red.), Het Einde van Indië: Indische Nederlanders tijdens de Japanse bezetting en de dekolonisatie.
Sdu Uitgeverij, 1995

 

Promotieonderzoek naar identificatieprocessen in een postkoloniale context; een onderzoek naar intergenerationele overdracht bij drie generaties vrouwen met een Indische achtergrond.

 

Wendy Janssen was promovendus bij het Belle van Zuylen Instituut voor Multiculturele Genderstudies waar Selma Leydessdorff directeur was. Ze wilde onderzoeken hoe narratieven binnen families worden doorgegeven, en hoe verschillende generaties kijken naar de ontvangst van hun familie in Nederland en de plek van de families in de maatschappij door de jaren heen. Vragen waren o.a.: Hoe word je gezien? Hoe zie je jezelf? En hoe ga je daar mee om?

 

De interviews gaan in op gebeurtenissen en ervaringen in de jaren 1920 – 1996.
Er wordt voornamelijk over Indonesië en Nederland gesproken. Thema’s zijn o.a. Tweede Wereldoorlog, Indonesische revolutie, aankomst en ontvangst in Nederland, identiteit, Nederlandse maatschappij, positionering, aanpassing.

 

Beheer: De collectie wordt beheerd door Wendy Janssen.
Behoud: De collectie staat op cassettebandjes. Om de interviews duurzaam te bewaren voor de toekomst is digitalisering en overdracht aan een e-depot gewenst.

Historische ecologie van de Limburgse Kempen

Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse Kempen (1910-1950) : tweehonderd gesprekken samengevat

Uitgever: Stichting Natuurpublicaties Limburg
ISBN: 9789074508087

In de Belgisch-Limburgse Kempen heeft Joël Burny aan oudere bewoners gevraagd naar de manier waarop zij in de eerste helft van de twintigste eeuw omgingen met hun landschap. Zijn onderzoek laat zien dat traditionele inzichten vaak niet kloppen voor dit specifieke gebied. De nieuwe inzichten moeten meer houvast bieden bij het bepalen van de huidige beheersvorm, die veel meer gestoeld zou moeten zijn op historisch correcte referenties.

 

Het boek is een samenvatting van een grote reeks gesprekken die met 96 oudere inwoners in de Belgisch-Limburgse Kempen zijn gevoerd. Deze gesprekken gingen over het traditionele gebruik van heiden en beekdalgraslanden, waardoor er een beeld is ontstaan van het functioneren van het landschap in het begin van de 20e eeuw. Dit is de periode vóór de mechanisatie van de landbouw en vóór het grootschalige gebruik van stikstofrijke mest.

Uit de gesprekken zijn details over het historische gebruik van het landschap bekend geworden die anders verloren gegaan zouden zijn. Het gaat om werkzaamheden van boeren in de eerste helft van de 20e eeuw met betrekking tot waterlopen, beekdalgraslanden, vloeiweiden, droge en vochtige heiden en visvijvers.

Hindostaanse contractarbeiders 1873-1920

Hindostaanse immigranten, Théodore van Lelyveld, Paramaribo, 1895-1898 - Beeld Rijksmuseum

Prof. dr. Chan E.S. Choenni heeft de geschiedenis van de Hindostaanse contractarbeiders te boek gesteld. Niet alleen door uitgebreide literatuurstudie en archiefonderzoek, ook aan de hand van oral history geeft Choenni een inkijk in het leven van de contractarbeiders. Zo geeft hij een levendig beeld van de werving en selectie in India, van het transport naar de havenstad Calcutta/Kolkata en van de reis overzee. Ook beschrijft hij de aankomst in Suriname en het dagelijks leven van de contractarbeiders op de plantages.

Sarnami Hindostani 1920-1960

Sarnami Hindostani 1920–1960: Worteling, identiteit en gemeenschapsvorming in Suriname, volume 1.

Gharietje G. Choenni & Chan E.S. Choenni

Amsterdam: KIT Publishers, 2012

De Stichting Lalla Rookh Diaspora heeft dit boek uitgegeven om tekortkomingen in de kennis van de geschiedenis van de Surinaamse Hindustanen (Oost-Indiërs) te verhelpen. 

Het inleidende hoofdstuk van het boek behandelt het vertrek van de Hindustanen uit India, hun leven op de plantages, hun numerieke groei, hun vooruitgang tussen 1920 en 1960 en de ontwikkeling van het Sarnámi (een taalvariant van het Hindi). Een hoofdstuk getiteld “Zich vestigen en wortelen” vertelt vervolgens over de ontwikkelingen die plaatsvonden na de contractperiode, toen de Hindustanen kleine eigen dorpen stichtten in de buurt van hun rijstvelden. De ontberingen van het landbouwleven worden beschreven, evenals de ijver en het doorzettingsvermogen van de kolonisten. Het volgende hoofdstuk is gewijd aan transport en vertelt hoe veel Hindustanen na verloop van tijd actief werden als voerman, vrachtwagenchauffeur en buschauffeur. Het vierde hoofdstuk gaat over de differentiatie die plaatsvond toen de kinderen van de rijstboeren ondernemers en ambachtslieden werden en later ook overheidsfunctionarissen.

Hoofdstuk 5 gaat over huisvesting. Het schildert de ontwikkeling van de plantagebarakken naar de eenvoudige woningen in de dorpen en uiteindelijk naar de prachtige stadswoningen van Paramaribo. Het beschrijft ook de medische zorg die de Hindustanen kregen. Hoofdstuk 6 bespreekt de ontwikkelingen in het onderwijs. Hier wordt aandacht besteed aan de verslechtering van de positie van vrouwen in de derde generatie in Suriname. De terugval werd een halt toegeroepen toen latere generaties vrouwen beter opgeleid werden. Ook de positie van homoseksuele mannen en lesbiennes komt in dit hoofdstuk aan bod. Het laatste hoofdstuk, dat zich richt op het gezinsleven, schildert de ontwikkeling van het gezamenlijke gezin en het verdwijnen ervan na de Tweede Wereldoorlog en bespreekt Hindoestaanse kleding, sieraden, tatoeages, voedsel en identiteitskenmerken.

Deze zeven hoofdstukken worden afgewisseld met literaire portretten van zeven ouderen, van wie een aantal nu in Nederland woont, die herinneringen ophalen aan hun leven in Suriname in het verleden.

Tachtig diepte-interviews met oudere Hindoestanen die zowel in Suriname als in Nederland wonen, vormen de belangrijkste bron van dit boek. De gegevens die zij opleveren zijn vervolgens gecheckt in andere (veelal schriftelijke) bronnen. Een redelijk aantal Hindustanen zegt bijvoorbeeld dat de Oost-Indiërs nooit om hulp hebben gevraagd bij de sociale zekerheid van de overheid, maar de archieven van deze instellingen bewijzen dat dit overdreven is (pp. 16-17). De mondelinge informatie wordt dus niet blindelings geaccepteerd, maar kritisch geëvalueerd. Choenni en Choenni noemen hun methode triangulatie, wat betekent dat ze geprobeerd hebben een betrouwbaar beeld van de situatie te krijgen door verschillende soorten bronnen te raadplegen. Daarom past deze studie in de recente trend onder historici om aandacht te besteden aan mondelinge geschiedenis als een belangrijke aanvulling op de geschreven bronnen die voornamelijk zijn samengesteld door de schrijvende elite en door de mensen die het land besturen. Je zou kunnen zeggen dat orale geschiedenis de geschiedenis van de onderdrukten is, en dat is zeker iets dat opduikt in het materiaal van dit boek. Het staat vol met verhalen over de ontberingen die de mensen in India leden nog voor hun transport naar de Caraïben, de onderdrukking op de plantages, de armoede en het gebrek aan medische zorg in de eerste jaren op de plantages en in de nieuwe nederzettingen, en de discriminatie van Hindoestanen door de andere bevolkingsgroepen van het land.

Ondanks de verdiensten van het boek, zorgt de slordige schrijfstijl voor veel onnauwkeurigheden. De auteurs schrijven bijvoorbeeld dat Columbus Suriname ontdekte (p. 37), wat niet waar is. Ook zijn er veel spelfouten of vreemd geschreven Nederlandse woorden, zoals hindoeïsme in plaats van hindoeïsme. Andere fouten hadden voorkomen kunnen worden als de nodige academische literatuur was geraadpleegd; van mensen met de titel maharaj wordt gezegd dat ze chattri’s zijn (p. 645), terwijl het in werkelijkheid Brahmanen zijn (Clarke 1967:178-80). En een beschrijving van de ontwikkeling van de hindoeïstische literaire traditie (p. 434) is gekleurd door de opvattingen van enkele hindoeïstische religieuze experts, maar wijkt af van de bevindingen van gezaghebbend onderzoek over het onderwerp. Deze fouten weerspiegelen een gebrek aan betrokkenheid bij academische velden buiten de sociale wetenschappen.

Wij Hebben als Mens Geleefd

Deze uitgave van Meulenhoff betreft de tekst van een proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de Letteren aan de Universiteit van Amsterdam, op 8 mei 1987.

 

Aantal interviews: 42 (+ onbekend aantal anonieme geïnterviewden) 

Het bronmateriaal is een groot aantal cassettebandjes.

In 2022 / 2023 worden de bandjes gedigitaliseerd door Pieter Bas van Wiechen

Transcripties: ja

Toegankelijkheid: onbekend

 

Geheugen, getuigen en herinneren

voorbeelden uit een onderzoek naar het amsterdamse joodse proletariaat tussen 1918 en 1940
Selma Leydesdorff

Onderdeel van: Mondelinge geschiedenis : over theorie en praktijk van het gebruik van mondelinge bronnen
Red.: Manuela du Bois-Reymond en Ton Wagemakers

pagina 80-100

 

 

Het boek betreft de tekst met de bijbehorende 16 pagina’s illustraties van een proefschrift voor de Universiteit van Amsterdam. Van dat werk maakt verder onder andere een samenvatting in het Engels deel uit. Voor dit proefschrift ontleende de historica Selma Leydesdorff gegevens aan archieven, maar vooral aan interviews met velen die in hun jeugd deel uitmaakten van het door haar onderzochte Joodse proletariaat. Opzet van de schrijfster is om te komen tot een beter zicht op ‘dat wat niet meer is’. Een deel van de negentig geïnterviewden wilde echter slechts spreken als hun woorden niet ter plekke zouden worden geregistreerd met opnameapparatuur of op schrift gesteld; hun woorden zijn daarmee noodgedwongen achteraf uitgewerkt. Bij haar onderzoek betrekt de schrijfster onder andere de Joodse cultuur, de Joodse economie, de binding van de betrokkenen met hun Joodse wortels, hun organisaties en de geschiedenis van de Joodse straten en buurten in Amsterdam.

 

 

 

In 1987 verscheen Wij hebben als mens geleefd: Het Joodse proletariaat van Amsterdam 1900–1940 in woord en beeld. Hierin schetst hoogleraar Selma Leydesdorff aan de hand van vraaggesprekken een beeld van het vooroorlogse Joodse leven in Amsterdam. Wij hebben als mens geleefd verscheen ook in het Engels en Duits en kreeg veel internationale aandacht.

 

Het Joodse proletariaat van Amsterdam 1900–1940 is de herziene editie van dit werk. Het is opgeluisterd met schilderijen van G.J. Staller (verzameld en geselecteerd door Harry Mock) waarop het Joodse straatleven tussen 1900 en 1930 te zien is en de mensen – bedelaars, marktkooplieden en venters – een gezicht krijgen. De benauwdheid van de Jodenhoek met zijn donkere straten is voelbaar; je hoort haast de rauwe kreten van de venters met hun waren, allesoverheersend is de geur van armoede.

 

Met Het Joodse proletariaat van Amsterdam 1900–1940 krijgen de namen van het in 2021 onthulde oorlogsmonument aan de Weesperstraat in Amsterdam ook een gezicht.

Wijk C Utrecht

Groepsportret van vijf bewoners uit Wijk C te Utrecht

volksbuurtmuseum.nl

 

hetutrechtsarchief.nl

 

Aantal interviews: 248

 

Op termijn online en in de studiezaal 

 

Interviews met bewoners van Wijk C

In de komende jaren wordt een groot deel van het archief, met de steun van het Mondriaanfonds, gedigitaliseerd, beschreven en gepubliceerd op hetutrechtsarchief.nl en volksbuurtmuseum.nl. De collectie wordt in langdurige bruikleen gegeven aan Het Utrechts Archief, waar de originelen worden opgenomen in de depots. Daarnaast worden de stukken raadpleegbaar voor onderzoekers via de studiezaal.

 

Foto: Groepsportret van vijf bewoners uit Wijk C te Utrecht, die allen een bijnaam hebben, v.l.n.r.: Louis Bronius (‘De Sponzenduiker’), de heer Bontrop (‘De Kruk’), Jacobus Broekman (‘Kobus de Fots’), Johannes van den Oudenalder (‘Hannes de Kokkel’) en Piet A. Roomenburg (‘Piet de Brommert’). Circa 1930.
Bekijk het origineel

 

 

beeldcollectie volksbuurtmuseum

Het verleden verteld. Twintig interviews van het Volksbuurtmuseum Wijk C

Marja van der Wees e.a.

Uitgeverij: Stichting De Plantage
EAN: 9789080022461

Hoewel de naam van de Utrechtse Wijk C officieel in 1890 werd afgeschaft en de huizen tussen 1950 en 1980 voor een groot deel werden afgebroken, is de wijk nog steeds wijd en zijd bekend als volksbuurt. Wat rest zijn enkele gerenoveerde straten, een paar kroegen, de gerestaureerde Jacobikerk, en herinneringen – vele, vele herinneringen.

Twintig vraaggesprekken met bewoners van Wijk C leggen in dit boek het verleden bloot van een wijk vol grote gezinnen, nijvere kleinhandelaren, stevige sjouwers, kleine fabrieken en volkse kroegen. Een wijk met een uitgebreid straatleven en een grote saamhorigheid. Een wijk om nooit te vergeten.